Niet thuis, maar wel aangekomen: een reis door Indonesië

gravatar
 · 
januari 18, 2026
 · 
9 min read
Featured Image

Al jaren sluimerde er iets in mij. Geen urgentie, geen duidelijke vraag, maar een gevoel dat langzaam op de achtergrond meebewoog. Een nieuwsgierigheid naar Indonesië, het land waar mijn voorouders vandaan komen, maar dat in mijn leven vooral bestond uit stiltes en fragmenten.

Als derde generatie Indische Nederlander groeide ik op zonder taal, zonder verhalen, zonder een vanzelfsprekende toegang tot cultuur. Over Indonesië werd nauwelijks gesproken. En als er niet wordt gesproken, weet je ook niet wat je mist. Deze reis was geen poging om terug te keren. Maar een stap die nodig was om verder te kunnen komen.

Indisch zwijgen
Bij de eerste generatie was er vooral Indisch zwijgen. Niet praten over wat er is achtergelaten, om de pijn daarvan niet te hoeven voelen. Niet vertellen over het leven in Indonesië, over de oorlog, de onafhankelijkheid, de ontworteling. Mijn opa’s en oma’s spraken er nauwelijks over. En als ik iets vroeg, werd het zachtjes weggezogen. Niet uit onwil, maar uit bescherming. Zo ontstond een vicieuze cirkel: zij vertelden niets, dus ik wist niet wat ik moest vragen. En omdat ik niets wist, kon ik ook nergens instappen. Niet in hun geschiedenis, niet in mijn identiteit, niet in de Indische cultuur. De tweede generatie was ondertussen zo opgegaan in de Nederlandse samenleving dat terugkijken of doorgeven geen prioriteit meer had. En dan sta je daar als derde generatie. Alles zelf bij elkaar aan het rapen. De taal niet spreken. De gewoontes niet kennen. Het eten niet vanzelf voelen. Dus stond ik op een kruispunt: wat betekent Indisch zijn eigenlijk? En wat betekent dat voor mij?

Jakarta: community en energie
In Jakarta begon de reis. De grootste stad ter wereld, en dat voelde ik meteen. Niet alleen in de hitte, het verkeer en het constante geluid, maar ook in mijn lichaam. We liepen door Kota Tua, de oude binnenstad van het voormalige Batavia, waar de koloniale geschiedenis nog letterlijk in de gebouwen hangt. Een plek waar verleden en heden ongemakkelijk naast elkaar bestaan. Wat me daar het meest raakte, was niet alleen de geschiedenis, maar iets veel directers: iedereen leek op mij. Nooit eerder was ik op een plek die zo leek te zijn vormgegeven op mijn lengte. Nooit eerder kon ik comfortabel in de metro staan. Nooit eerder zag ik zoveel mensen die op mij leken, of die, met een beetje fantasie, een ver familielid van mij hadden kunnen zijn.

Veel van onze tijd in Jakarta brachten we door rond Blok M, een levendige wijk in het zuiden van de stad waar muziek, straatcultuur en nachtleven samenkomen. In de kelder van Blok M Mall doken we tussen cassettes en vinyl, een onverwachte oase onder een winkelcentrum dat verder voelde als Temu-onzin op steroïden. De mall zelf was een ervaring op zich. Een megacomplex van zeker acht verdiepingen, waar het gevoel van overzicht met elke etage verder verdween. Hoe hoger we kwamen, hoe opdringeriger de verkopers werden. Tot ik op de bovenste verdieping door drie verkopers tegelijk werd aangesproken. Ik begon hardop te lachen. Het voelde zo absurd dat ik even dacht dat ik per ongeluk in een slechte horrorfilm was beland.

Bij Lucy Beer Mart maakten we een Sumatra fundraiser mee, met uitsluitend Indonesische hiphop-acts en DJ’s. Veel generaties in de ruimte, veel kretek en rauwe energie. In één woord: AAN. Bij Listen2Lucy, een community radiostation rond Blok M, draaide ik ten slotte een radioshow. Dat voelde bijzonder. Niet alleen omdat het tof is om ergens aan de andere kant van de wereld je ding te doen, maar omdat het voelde als teruggeven. Muziek als gedeelde taal, als verbinding. Het was goud om hun team te ontmoeten en te zien hoe zij community vormgeven. Daar ontmoette ik DJ en producer Muztang, die me eraan herinnerde dat het eerste wat ik ooit tegen hem zei was mij wens om bruggen te bouwen tussen Nederland en Indonesië. Blijkbaar was dat toen al een belangrijke drijfveer. En nu ben ik jaren later aan de andere kant van de wereld om deze woorden waar te maken.

Bogor: samenleven als inspiratie
In Bogor verbleven we bij aangetrouwde familie in een kampung. Meerdere kleine huisjes, iedereen dicht bij elkaar. Het community-wonen raakte me. Niet omdat ik het zelf zo zou willen, maar omdat het inspireerde. In Nederland hebben we het contact met onze naasten zelden zo georganiseerd. Hier leefden mensen echt samen. Overdag waren we in de botanische tuin met gigantische bomen en alle soorten tropische planten die je maar kan bedenken. ’s Nachts sliepen we naast een moskee a.k.a. 5 x keer per dag een luidde oproep tot gebed als community care. Never. Again. Maar de liefde voor de familie was groot.

Bandung: een plek die zich nog niet liet lezen
Met de sneltrein gingen we naar Bandung, de stad waar de ouders van mijn moeder vandaan komen. Alleen al dat ik daar was, voelt nog steeds onwerkelijk. Bandung voelde betekenisvol, juist omdat ik er nauwelijks deel van kon zijn. Kort na aankomst werd ik ziek. Uitgeput, koorts, diarree. Mijn wereld beperkte zich tot de hotelkamer. In Bandung leefde ik op stukjes fruit en droge, zoute crackers. De enige ontmoeting die ik wel had, was liggend op mijn hotelkamer: een enorme harige duizendpoot die langzaam achter de plinten vandaan kroop. In dat moment dacht ik aan mijn oma. Aan hoe zij me als kind altijd vertelde dat ze niet terug wilde naar Indonesië vanwege de dieren en de insecten. Als kind begreep ik dat nooit. Waarom iemand bang kon zijn voor lieveheersbeestjes, kleine spinnetjes, alles wat ik toen nog onschuldig vond. Daar, in die hotelkamer in Bandung, begreep ik haar ineens. Niet met mijn hoofd, maar met mijn lichaam. Het was dezelfde alertheid, dezelfde spanning en hetzelfde weten: hier ben je nooit helemaal alleen. 

Terugblikkend voelt het alsof de tijd voor Bandung nog niet rijp was. Alsof ik hier wel mocht zijn, maar nog niet mocht kijken. Alsof de stad zich wel liet voelen, maar zich nog niet liet lezen. Ik geloof dat dingen gebeuren met een reden. Dat dit geen gemiste kans is, maar een open moment. Ik hoop ooit op een rematch, met de nabijgelegen bergen, de theeplantages, mijn verre familie en met mijn verloren Bandung-broeder Mr Dymz.

Yogyakarta: Herstel en symboliek
De reis naar Yogyakarta duurde zes uur. Door kerst waren bijna alle treintickets uitverkocht, waardoor we pas begin van de avond konden reizen. Van het uitzicht zag ik niets. Dat vond ik jammer. Maar eenmal aangekomen voelde Jogja rustiger en overzichtelijker dan alle andere plekken die we tot nu toe hadden gezien. Hier begon ik langzaam weer te eten. Eerst simpele pasta’s. Pas hier kwam mijn eetlust voorzichtig terug. In Bandung had ik bijna niets binnengehouden.

We ontmoetten Sicovecas, een graffitiwriter en aten samen Nasi Padang. Ook zagen we een goede vriend van Jim, die vanuit Jogja werkt als kaasmaker, iets wat in Indonesië op zichzelf al bijzonder is. Ik liet mijn kapotte Walkman repareren in een analoog winkeltje in een kampung. Voor tien euro werkte mijn My First Sony weer. Terwijl ik op zoek was naar mijn identiteit, werd een symbool van mijn kindertijd gerepareerd in Indonesië. Dat voelde niet toevallig.

Bali: mystiek en ongemak
En toen vlogen we naar: Bali. Daar voelde ik alvorens een heel dubbel gevoel bij. Na de massamoorden van 1965–1966, waarbij honderdduizenden Indonesiërs werden vermoord, werd Bali bewust gepositioneerd als spiritueel paradijs, veilig, mystiek, exotisch, terwijl het geweld elders werd genegeerd. Die marketing werkt tot vandaag door, met massatoerisme, watertekort, afvalproblemen en lokale uitbuiting als gevolg.

Het ongemak waarmee ik op het eiland landde versterkte alleen maar toen ik er verbleef. Rond oud & nieuw was het extreem druk. Drie uur in de taxi heen om naar ons hotel te komen. Door het verkeer vol scooters, influencers en meids met opgepompte lippen. Maar ons hotel was gelukkig een oase van rust. We verlieten Bali niet zonder kleerscheuren. Terwijl Jim op bezoek was bij aangetrouwde familie in Ubud, stapte hij per ongeluk met zijn voet op een cobra. Echt waar. Het liep gelukkig goed af. Laten we maar zeggen, met een sisser… Maar het had heel anders kunnen lopen.

Hoog boven Jakarta
Onze laatste dagen brachten we door in West Jakarta, in een gloednieuw hotel. Lobby op verdieping 30. Kamer op verdieping 50. Ik, met hoogtevrees, niet wetende waar wij zouden verblijven veranderde bij aanvang in de lobby bij de aanblik van het uitzicht langzaam in een bang katje. Het eerste halfuur lag ik op de kamer op een kleedje, overtuigd dat een aardbeving het gebouw zou laten kantelen en wij via het raam naar beneden zouden glijden. Jawel, de afgrond in, ik zag het he-le-maal voor me.

Jim trok de gordijnen maar dicht. Dat hielp.

Het duurde een dag om dit gevoel te overwinnen...

Na twee dagen vertrokken we weer naar Nederland...

Terugblik
Ik kijk terug op een reis die nodig was. Mijn voorouders vertrokken en konden nooit meer terug. Dat ik ging, voelde onvermijdelijk. Niet om terug te keren, maar om verder te gaan. Wat mij misschien wel het meest bijbleef, was een gedachte die zich steeds opnieuw aandiende terwijl ik daar rondliep: als het leven anders was gelopen, had Java mijn thuis kunnen zijn.

Als mijn voorouders niet hadden gekozen, of gedwongen waren, om naar Nederland te gaan. Als die ene afslag in de geschiedenis anders was genomen. Dan was ik hier opgegroeid, had ik deze straten gekend, deze geluiden, dit ritme. Die gedachte voelde logisch en volkomen onwerkelijk tegelijk. Het voelde confronterend dat ik de taal niet spreek. Bahasa was overal aanwezig, maar voor mij net buiten bereik. En juist daar zat iets: taal is niet alleen communicatie, taal is toe-eigening. Taal is de sleutel tot nuance, tot humor, tot ongemak, tot thuis-zijn. Zonder taal blijf je toeschouwer, hoe dichtbij je ook staat. Dat besef raakte me harder dan ik had verwacht. Dat identiteit soms ook bestaat uit dat wat je niet hebt meegekregen.

Tegelijkertijd was er de menselijke warmte. De ontmoetingen vol vanzelfsprekende gastvrijheid. De gesprekken die ontstonden, vaak ondanks de taal, soms juist daardoor. Die menselijke connectie werd de rode draad van deze reis en misschien ook wel het belangrijkste dat ik mee naar huis nam. Veel van die ontmoetingen waren mogelijk dankzij mensen uit mijn bestaande netwerk die me alvorens deze reis hielpen met tips en contacten en daarmee deuren hielpen openen. Navigeren op een nieuwe plek zonder kaart is ingewikkeld, en ik besef hoe waardevol het is als iemand je een idee geeft van de infrastructuur. Ik heb maar een topje van de ijsberg gezien, dat weet ik. Maar het was genoeg om iets in beweging te zetten. 

Deze reis liet me nadenken over wat mijn positie kan zijn. Niet als iemand die thuiskomt, maar als iemand die beweegt tussen contexten. In Indonesië werd ik niet gezien als Nederlander, niet als belanda. Maar ook niet als volledig Indonesisch. Mijn lichaam, mijn aanwezigheid, mijn manier van zijn plaatsten me ergens ertussenin. Ik werd kopi susu genoemd: koffie met melk. Een tussenvorm waar ruimte in schuilt. Die ruimte bied om te luisteren zonder aanspraak te maken. Om aanwezig te zijn zonder toe-eigening.

Wat kan ik, vanuit Nederland en een Europese blik, betekenen? Als bruggenbouwer tussen makers, scenes en communities? Niet om toe te eigenen, maar om te verbinden. Misschien is dat precies de plek waar ik hoor te zijn.

Ik ben niet thuis.
Maar wel aangekomen.


Wil je mijn updates ontvangen straight in je mailbox? Schrijf je dan in voor Van mail.

Comments

No Comments.

Leave a replyReply to